Dossier 1 - De verdwijning van Titus Karsten

1. De verdwijning van Titus Karsten

Dossier Deemsterland / aflevering 1

Titus Karsten ontmoette ik voor het eerst enkele maanden geleden. Het moet zaterdag 5 oktober zijn geweest. Het was op zijn verzoek dat we elkaar ontmoetten, een uur of half twaalf in de avond, een ongebruikelijk laat tijdstip, zelfs voor het Heimdal genootschap.

Ons genootschap is zelf een beetje ongebruikelijk misschien. Opgericht in 1928 in Leiden, met als missie ‘het onderzoeken van onverklaarde gebeurtenissen die door de opsporingsinstanties in Nederland niet behandeld worden of voor hen onoplosbaar zijn gebleken.’ We geven het liefst weinig ruchtbaarheid aan onze werkzaamheden. Onze leden zijn heel divers, van mensen die vanuit hun formele functie meer weten dan dat ze met hun bevoegdheden kunnen oplossen, tot mensen die speurwerk als interessant tijdverdrijf zien. Van mensen van academische rang tot mensen uit het ruwe straatleven. Maar allemaal met een andere, inderdaad ongebruikelijke, kijk op de wereld. Er valt veel over ons genootschap te zeggen, maar ik denk dat onze kijk heel adequaat beschreven wordt met een uitdrukking die ik in de oprichtingspapieren van 1928 heb aangetroffen, een uitdrukking waaraan een verhaal hangt dat op zich al het vertellen waard is, maar niet nu: ‘In de Wereldt is veel Gevaer’.
Titus Karsten dus, wilde mij spreken, persoonlijk. Na enige aarzeling had ik toegestemd. want hij was pas sinds kort volwaardig lid, na drie maanden kandidaat te zijn geweest. We hadden al enige malen per e-mail contact gehad, maar ik wist niet precies wat ik aan hem aan had. Nu stond hij voor me, bij de deur van ons kleine kantoor aan de Breestraat. Vierkante kaken, een brede neus, massieve schouders en bijna blauwzwart haar dat in woeste lokken van zijn hoofd afstond. Maar het meest opvallend waren zijn priemende ogen waarmee hij mij langzaam opnam, het linker was blauw, het rechter bruin.
In zijn rechterhand droeg hij een koffertje. We wisselden enige beleefdheden uit en gingen de trap op naar mijn kantoorkamer. Zonder plichtplegingen schoof hij wat papieren opzij, zette het koffertje op mijn bureau en klikte het open. Een meer dan aanzienlijk bedrag, in fonkelnieuwe coupures van honderd euro, vulde het valies.
‘Voor het genootschap’, zei hij. ‘Bewaar het veilig, hopelijk hebben jullie het nooit nodig om mijn onderzoek af te maken. In dat geval kan het aan ander speurwerk besteed worden.’
Wat zijn onderzoek inhield wilde hij niet zeggen. ‘Zolang ik het niet zeker weet, ga ik niemand beschuldigen. Dat zou alleen maar enorme problemen opleveren. Maar ik zorg ervoor dat jullie mijn aantekeningen kunnen vinden, mocht het nodig zijn. Zie in dat geval de inhoud van dit koffertje maar als een aanmoedigingspremie om mijn werk te voltooien.’ Kort erna vertrok hij.
Op 20 december hoorde ik pas weer van hem. Hij belde aan bij het kantoor, met een plastic tas van een boekwinkel. Hij zag er wat verhit uit, ongebruikelijk, want bij al onze contacten scheen hij mij op en top een echt heer toe, en bij ons vorige gesprek had hij driedelig blauw gedragen. Ook nu was hij in kostuum, maar er was iets, misschien in zijn oogopslag, dat hem een wat verwilderde indruk verleende. Hij duwde de tas bijna in mijn handen. ‘Ik moet er gelijk weer vandoor. Wil je dit voor me bewaren? Morgenavond kom ik het ophalen.’
Zonder tegenstribbelen nam ik tas van hem en ik vroeg hem of ik nog iets voor hem kon betekenen. ‘Nee, lees deze brief, maar in godsnaam, maak de tas niet open, ik wil nog geen zaken in beweging zetten als dat niet nodig is’, zei hij en overhandigde een goedkope envelop met mijn naam erop. Toen vertrok hij.
Het was het laatste wat ik van hem gezien heb. Eenmaal boven in mijn kantoortje bekeek ik de plastic tas, hij was zorgvuldig dichtgeniet. Daarna opende ik de envelop. Er zat een brief in, handgeschreven op het papier van een nabij hotel.

 

Met enige ongemak wachtte ik de volgende dag tot de avond verstreken was, en klokslag twaalf scheurde ik de plastic tas open. Zoals de brief beschreef zat er een lijst met namen in, zevenendertig in totaal. Daarnaast een foto van een landhuis, wat bij nadere bestudering een foto van een schilderij bleek te zijn, een kopie van de bovenste helft van de voorpagina het Leidsch Dagblad van 28 januari 1930, en een getypte brief met een vastgeniete foto van vermoedelijk een verweerd stenen altaar. De getypte brief baarde me zorgen, want hij maakte, weliswaar in niet al te geschoold Nederlands, gewag van een afspraak waarin het altaar voor een bedrag van tweeduizend euro aan Titus overgedaan zou worden. Omdat de krant sprak over een inbraak in het Rijksmuseum van Oudheden waarbij bijna negentig jaar geleden een altaar gestolen zou zijn, hing om het hele verhaal een niet al te legaal luchtje. Die nacht verscheen Titus niet.
Toen de ochtend erop Titus nog steeds niet opgedoken was, besloot ik de adressen van de zevenendertig personen te achterhalen en hen aan te schrijven. Elk van hen stuurde ik een korte uitleg, het verzoek om mij te helpen en een beknopt dossier. Hierin deed ik de stukken die Titus bij me had achtergelaten en enig materiaal over ons genootschap. Daarna wachtte ik af.
Niet lang erna meldde de ene na de andere persoon uit de brief zich aan, inmiddels al zes, meer dan ik durven hopen. Op het forum van de zojuist geopende website van het genootschap legden enkele van hen al contact met elkaar, en bijna zonder aarzeling spraken ze af om een onderzoek naar de verdwijning van Titus te starten. De komende tijd zal ik van onze naspeuringen verslag doen.
Mochten meer mensen uit de lijst van Titus zich geroepen voelen om zich aan te sluiten, dan juich ik dat natuurlijk toe. U kunt mij vinden via het https://www.heimdalgenootschap.nl/contact/.

Brief van Titus Karsten aan het Heimdal genootschapPagina met personen die Titus Karsten wilde sprekenFoto van schilderij van onbekend landhuisLeidsch-Dagblad 28 januari 1930Brief aan Titus KarstenBrief van Heimdal genootschapInschrijving Titus Karsten in ledenadministratie Heimdal genootschap

R.P. Avezaath

R.P. Avezaath

Secretaris van het Heimdal genootschap. Regelaar. Ambtenaar bij een middelgrote gemeente.

34 gedachten over “1. De verdwijning van Titus Karsten”

  1. Beste lezers!
    Zoals u zult begrijpen, ben ik zeer bezorgd over de verdwijning van mijn broer Titus.
    Ik wil dan ook snel actie ondernemen en een zoektocht starten. Wie wil en kan mij daarbij helpen?
    Graag uw reactie via dit forum.
    Groet, Heleen Karsten

    1. Geachte mevrouw Karsten,
      Het spijt me dat het onder deze tragische omstandigheden is dat ik u mag begroeten als nieuw lid van ons genootschap. Uiteraard maakt ons genootschap zich eveneens ernstige zorgen over de verdwijning van uw broer. Ik sluit me van harte aan bij uw oproep. Hopelijk zijn er mensen die uw broer de laatste tijd nog ontmoet hebben, of nadere informatie kunnen geven over de zaken waarmee hij onlangs bezig was.

  2. Beste lezers,
    In vervolg op bovenstaande verzoek om hulp bij mijn zoektocht naar mijn broer. In het dossier van Titus zit een lijst met namen waar hij mee wil afspreken. Kunt u hulp bieden bij het thuisbrengen van deze lijst, zijn er voor u bekende namen bij? En weet u of de brief van of aan T. de Wagt, barkeeper bij Burgerzaken, al gevonden is?
    Groet, Heleen Karsten

    1. Helaas is de brief aan barkeeper T. de Wagt nog niet terecht. We hebben ook nog geen reactie op ons schrijven aan hem of haar mogen ontvangen. Wellicht is het een idee als één van de leden binnenkort een bezoek bij Burgerzaken aflegt, zodra we weten om welke gelegenheid het gaat.

  3. Beste Jens Verschuuren,
    Wat fijn dat er nog iemand is die zich betrokken voelt bij de verdwijning van mijn broer Titus! Samen komen we vast verder met deze zoektocht. Helaas heb ik op dit moment nog geen antwoord op uw vraag over het rijmpje achterop de foto. Het landhuis op de foto komt mij echter vaag bekend voor, misschien dat er in onze familie meer over bekend is. Ik zal daar naar gaan vragen!
    Ik vond via Google restaurant/grandcafé Burgerzaken aan de Breestraat in Leiden (https://restaurantburgerzaken.nl/). Misschien dat T. de Wagt daar barkeeper is? Vanuit Den Haag, waar ik woon, is het niet ver, ik ga dan ook eind van de middag naar Leiden om te informeren.

    1. Beste Heleen, goed dat je ontdekt hebt wat Burgerzaken is. Niet toevallig dat het aan de Breestraat ligt, denk ik, dichtbij het adres van ons genootschap. Hopelijk levert je bezoek wat op. Denk je wel aan je veiligheid? Voor een volgende keer kunnen we misschien ook afspreken samen of met een groep te gaan?
      Ik hoop ook dat de foto wat oplevert. Op de dossiermap staat dat de foto van een *schilderij* is, misschien zegt jou dat nog iets? Of wellicht kan iemand anders die handig met de computer is, er iets over vinden op internet?

  4. Beste Heleen en Jens,
    het internet is niet mijn forte maar ik ben ook in staat om naar Leiden te gaan, mits gewenst. Het lijkt me namelijk nuttig om langs te gaan bij Nieuw Minerva om te informeren of ze daar meer informatie hebben over de heer Karsten. Mogelijk heeft hij wat achtergelaten. Verder wil ik dan langs gaan bij het Rijksmuseum voor Oudheden aangaande de diefstal die vermeld stond in het Leidensch Dagblad. Het is dan wel een oude zaak maar mogelijk is er in de loop der tijd meer informatie boven water gekomen.

    1. Beste Gaston,
      Prima plan om naar Leiden te gaan. Ik ga graag met je mee, maar misschien zijn er meer mensen die mee willen. Misschien kunnen we via dit forum een dag en tijd afspreken, als dat zo werkt?

      1. Geachte heer Verschuuren, beste Jens,
        Zo werkt het inderdaad. Als we een dag en tijd afspreken, kan een groep gezamenlijk op pad gaan, en dit op het forum bespreken. Mocht ik dan aanwezig zijn, dan zal ik jullie onderzoeksresultaten zo snel mogelijk in dit forum vermelden. Een bezoek aan Leiden lijkt me een mooie manier om te kijken of deze manier van samenwerken goed verloopt op het forum.
        Ik stel wel voor om nog enige tijd te wachten, er hebben meer leden zich aangemeld, en ik wil hen graag in de gelegenheid stellen mee te gaan met jullie bezoek.

      2. Beste Jens,
        natuurlijk is eenieder die mee wil naar leiden welkom. Lijkt me ook een goede gelegenheid om elkaar eens nader te leren kennen. Ik zie dat Heleen ook al die kant op gaat / wil gaan. Een groot gezelschap maakt dat we meer kunnen doen in minder tijd. Maar is er niet enige urgentie geboden? Het lijkt me toe dat de verdwijning van de heer Karsten geen onnodig lang oponthoud verwelkomt. Kunnen we anders een deadline stellen om de voortgang te garanderen? Ik wil daarom voorstellen om uiterlijk morgenavond een beslissing te nemen / afspraak te maken. Kun jij, en eventueel Heleen, je hier in vinden?

      3. Beste Gaston, Je hebt gelijk, we moeten inderdaad niet te lang wachten. Ik laat straks weten of en wanneer ik kan. Ik hoor graag hoe Heleen hier over denkt.

  5. O ja, het rijmpje is (een deel van) een oud vlaams lied, Iemand wist mij te vertellen dat het in één van de oudere Suske en Wiske albums staat. Helaas is die uitgave niet voorradig in mijn patrons bibliotheek. Later meer, hoop ik.

    1. Ha Gaston, goed geheugen! Ik heb vroeger S&W’s verzameld en heb door alle albums gebladerd. Op zich al een genoegen. Maar ik heb het gevonden, een plaatje in Lambiorix op pagina 57. De krijgers van Lambiorix trekken door de open poort van het veroverde Romeinse fort, en zingen het lied. Hier is wel sprake van een pompbak i.p.v. een poembak, maar het lied is ongetwijfeld hetzelfde. Maar bedoelt Titus nu werkelijk een mij onbekend fort in een S&W-album? En wat is nu een poembak? Toch lijkt het me belangrijk, Titus noemt het rijmpje ‘startpunt’. Ik weet het even niet.

      1. Beste Jens en Heleen,

        volgens het vlaamswoordenboek.be is een “poembak” en een “pompbak” hetzelfde:
        onder het kopje “poembak” staat:
        “uitspraakvariant van pompbak”
        een toevoeging is ook nog:
        “regio leiestreek: ne watersteen”

      1. volgens hetzelfde Vlaams woordenboek is het een gootsteen , een wasbak, iets wat onder een (hand)pomp staat. Pompsteen (komt ook uit dat woordenboek), gootsteen: duidelijk iets van steen om het spatten van het (pomp)water tegen te gaan.

  6. Beste Jens en Gaston,
    Het lijkt mij zeker een goed idee om gezamenlijk naar Leiden te gaan. Toevallig ben ik vandaag er niet aan toe gekomen om zelf te gaan (daarover zo meer), wat mij betreft zouden wij morgenavond kunnen afspreken in Leiden. Vanwege werkzaamheden ben ik helaas overdag verhinderd.
    Misschien kan de secretaris ons vertellen hoe wij zo’n gezamenlijke zoektocht handig organiseren?
    Gr H

    1. Geachte mevrouw Karsten, beste Heleen,
      Heel prettig dat u achter het plan van Gaston en Jens staat, dat moet zeker wat opleveren. Het beste is naar mijn idee om eerst een moment te kiezen waarop wij allen tegelijk op het forum aanwezig kunnen zijn. Op de afgesproken datum en tijdstip loggen we allen in op het forum, en starten dan het gezamenlijke onderzoek. Elk van u geeft aan wat u in Leiden doet, en ik zorg ervoor dat de resultaten van uw aller handelingen op het forum verschijnen. Eventueel kunt u dan via chatten apart met mij converseren als u vragen heeft.
      Vermoedelijk kan ik morgen aanwezig zijn, ik laat u later weten hoe laat precies. Hopelijk kunnen u, Gaston en Jens ook. Andere leden zijn wat mij betreft uiteraard welkom om aan te sluiten.

      PS Omdat het werken met forum nog nieuw is, ook voor mij, is in de FAQ (zie menu) meer informatie opgenomen over hoe we het forum wellicht het best gebruiken. Kort gezegd, het is een kwestie van uitproberen.

  7. Zoals gezegd, ben ik vandaag niet naar Leiden geweest. Ik ben daarentegen bij mijn ouders op bezoek gegaan. Immers, de foto van het schilderij met landhuis kwam mij vaag bekend voor (zoals ik eerder schreef). Ik dacht: misschien een schilderij dat wij vroeger thuis hadden hangen o.i.d.
    Mijn ouders herkenden het landhuis echter onmiddellijk als een schilderij van ‘ons’ landhuis Mattemburgh bij Bergen op Zoom. Onze overgrootvader heeft het in 1929 gekocht en is er toen gaan wonen, mijn grootpapa en grootmama hebben er vervolgens gewoond en mijn vader en moeder daarna. Titus en ik zijn er zelfs ook opgegroeid, al kan ik mij daar niet veel meer van herinneren. Toen ik 4 was zijn we verhuisd. Titus kan zich er vast nog wel een en ander van herinneren.
    Ik begrijp echter niet waarom deze foto in het dossier zit. Het landgoed is door mijn ouders aan Stichting Brabants Landschap verkocht, het huis is na onze verhuizing door hen aan deze Stichting geschonken. Deze Stichting lijkt me toch een zeer nette en betrouwbare organisatie, en zal toch niet betrokken zijn bij een merkwaardig avontuur of geheimzinnige persoonsverdwijning…
    Misschien is in dit geval het rijmpje wel een belangrijkere aanwijzing? Mijn ouders kenden het rijmpje op de achterzijde van de foto niet, maar dachten ook dat het Vlaams moest zijn. Niet vreemd natuurlijk, Mattemburgh ligt slechts enkele kilometers van de grens. Heb jij hierover al meer gevonden, Gaston?
    Ik zal nagaan of ik over dit rijmpje nog meer informatie kan vinden. Ik kom daar op terug.

    1. Beste Heleen, Jens en Gaston,
      Om te beginnen hoop ik dat u het mij niet euvel duidt dat ik u inmiddels ben begonnen te tutoyeren. Mijn naam is Roderick. Maar om op Heleens vraag terug te komen: Morgenavond 2 januari 9 uur schikt mij uitstekend. Ik stel wel voor om het onderzoek deze keer beperkt te houden tot een wat kortere tijd, dan kunnen we binnenkort e.e.a. vervolgen.

    2. Dag Heleen,

      dit lijkt mij allerzins haalbaar. Mocht C. mijn aanwezigheid echter verzoeken dan moet ik afzeggen, maar ik vermoed dat het wel los zal lopen. U kunt mij verwachten.

  8. Even een kleine opmerking om een misverstand te voorkomen: de tijd die ik bij mijn berichten gelogd zie in dit forum komt niet overeen met de tijd zoals ik die buiten dit forum ervaar (kloktijd). Het forum geeft een tijdstip van 1 uur later aan dan de kloktijd. Als we het hebben over 9.00 uur dan hebben we het over kloktijd of forumtijd? Ik ga uit van kloktijd.

    1. Beste Gaston, dat is een scherpe observatie. De tijdsinstellingen van het forum stonden verkeerd, dit is inmiddels hersteld, dank. Ik neem ook aan dat de afspraak vanavond 9 uur kloktijd is. Graag tot dan!

  9. Beste mensen,

    Wat prettig om zo de verschillende reactie en vorderingen in het onderzoek naar de verdwijning van Titus na te kunnen lezen. Mijn naam is Johanna Peters en ik heb vroeger samen met Titus gestudeerd in Wageningen. Ik weet niet of het me gaat lukken vanavond aan te sluiten bij de tweede excursie naar Leiden omdat ik al een aantal dagen flink last van griep heb. Maar ik zal op verzoek van onze secretaris Roderick Avezaath wel proberen het een en ander weer te geven van de communicatie die ik met hem gehad heb over Nehalennia.

    Ik ben opgegroeid in Colijnsplaat (Noord-Beveland) aan de Oosterschelde, het vissersdorp waarbij net ten Noorden zo’n 1700 jaar of meer eerder de plaats Ganuenta moet hebben gelegen. Ik was nog echt maar heel klein toen op 14 april 1970 KJ Bout met zijn vissersschip de eerste altaarstukken boven water haalde. In de periode 1970-1974 zijn er daarna in totaal zo’n 240 altaarstukken en beelden boven water gehaald. Daarnaast zijn er uit de Oosterschelde ook de nodige mammoettanden en zo opgevist, een echt oud stukje Lage landen.

    Hoe zit het dan met Titus” artikel uit het Leidsch dagblad van januari 1930? Dat kan dus niet gaan over stukken uit Colijnsplaat. Maar mogelijk wel van een andere herkomst:

    In 1647 namelijk, slaat er bij een storm in Domburg (Walcheren) een stuk duin weg en onder het zand vandaan komt een Romeinse tempel te voorschijn die gewijd is aan verschillende goden, waaronder Nehalennia. Daar worden dus de eerste stukken gevonden die naar het Leids Museum voor Oudheden worden verplaatst.

    Hoe groot het gebied is geweest waarin Nehalennia is vereerd is niet geheel duidelijk. Maar ook in Deutz bij Keulen zijn een tweetal altaren gevonden. Echter deze twee zouden in de tweede wereldoorlog bij een bombardement verloren zijn gegaan. Voor handelaren was het met het afzakken van de Rijn blijkbaar niet moeilijk om met de Nehalennia-cultus in aanraking te komen en na een veilige reis leverde men graag een steen. Ook in Tongeren (België) zou er een Nehalennia-steen zijn gevonden.

    Terug naar Colijnsplaat waar dus een hele schat aan Nehalennia-vondsten zijn gedaan en waar dus een tempel gestaan moet hebben die alleen gewijd was aan Nehalennia. In de jaren 70 zijn hier dus de meeste stukken naar boven gehaald en sindsdien is er ongetwijfeld regelmatig gedoken om te kijken of er meer stukken te vinden zijn. Ondertussen zijn de Deltawerken voltooid en is de Oosterschelde afsluitbaar. Door al deze werken is de stroming echter aan het veranderen. De Oosterschelde heeft last van een enorme ‘zandhonger’ een tekort aan zand en platen en schorren in de Oosterschelde kalven af, terwijl er net voor de kust nieuwe platen aan het ontstaan zijn. Ik weet niet wat dat betekend voor het vrijkomen van nieuwe oude vondsten.

    Ik heb dan ook geen idee of de steen die aan Titus is aangeboden een oude of een nieuwe vondst is. Daarvoor zullen we beeltenissen misschien met alle mogelijk catalogi moeten vergelijken; maar van bijvoorbeeld de stenen uit Deutz heb ik tot op heden geen afbeeldingen kunnen vinden.

    Dan over Nehalennia zelf. Men is het er duidelijk niet over eens uit welke taal de naam afkomstig is en in hoeverre de naam verlatijnst is, men heeft geen idee welke volken haar precies aanbaden en waar ze als godin precies voor stond. Haar attributen zijn wel duidelijk ze is de enige godin die afgebeeld wordt met een mantel zowel als een ‘pellerientje’ een extra schoudermantel daaroverheen. Verder vaak een mand met appels (voorspoed? jeugd?), een hond (waakzaamheid of hellehond?) en soms een deel van een schip (behouden vaart). Zoals op de foto van Titus te zien is wordt ze vaak zitten in een tempel afgebeeld.

    Trouwens, sinds een jaar of 14-15 staat er bij de haven van Colijnsplaat een nieuwe Romeinse tempel ter ere van Nehalennia. Zo’n zelfde tempel staat ook al een heel aantal jaren in het Archeon waar er dagelijks diensten voor Nehalennia worden uitgevoerd voor degenen die dat eens willen meemaken.

    Voor Colijn als vissersdorp is de zee natuurlijk heel belangrijk. Vissers staan natuurlijk ook bekend als heel gelovig of zelfs bijgelovig. Maar het is duidelijk dat Colijnsplaat ook een eigen beschermheilige heeft. Jullie weten natuurlijk allemaal van de verschrikkelijke ramp in 1953. Verschillende van de buurdorpen van Colijnsplaat hebben toen enorm geleden. in Colijn waren de doorgangen in de dijk naar de haven gedicht met balken en stond men met man en macht de balken op zijn plek te houden om tegen te gaan dat het water het dorp in zou stromen. De Noordwesterstorm beukte hier pal op in door de open monding van de Oosterschelde. Een niet te stuiten kracht… En toen sloeg een van de schepen in de haven los en dekte precies het gat af. Dorp gered. Als daar geen hogere macht achter zat!

    Wat me als Zeeuwse wel altijd verbaast heeft is hoe echt alle altaarstukken altijd naar het RMO in Leiden zijn gegaan en zelfs het Zeeuws museum in Middelburg het altijd alleen met afgietsels heeft moeten doen. Roderick Avezaath suggereerde dat dit sterk met het beleid van het RMO en haar verschillende directeuren door de jaren heen te maken zou kunnen hebben, maar toch is ze vooraleer onze Zeeuwse godin.

  10. Mattemburgh is tegenwoordig eigendom van het Brabants landschap en voor donateurs wel te bezoeken. Ik kende de naam niet maar wat ik nalees over het 490 ha landgoed, is het wel een plek waar ik als kind wel eens ben geweest. Niet bij het landhuis maar in de bijbehorende bossen omdat die volgens mijn ouders de oudste ongerepte bossen in Nederland waren. Mooi in het najaar. Het landgoed moet ook mooie doorkijkjes hebben naar de Oosterschelde (of tegenwoordig naar het Markiezaatsmeer) en komend uit Zeeland als je de Oosterschelde volgt kom je er langs.

    1. Geachte mevrouw Peters, beste Johanna,
      Dank voor je uitgebreide beschrijving van de Nehalennia-cultus, het klinkt mij als een erg bruikbaar spoor. Hopelijk leest Gaston dit voor zijn bezoek aan Leiden (zie ook zijn reactie onderaan https://www.heimdalgenootschap.nl/dossier001/2-leidse-sleutels/). Ook je informatie over Mattemburgh lijkt me relevant, en sluit goed aan bij wat Heleen erover heeft gezegd. Mochten jij of anderen nog meer te weten komen, dan houd ik me aanbevolen in het kader van het onderzoek.
      Roderick.

  11. Naar “De Romeinen in Zeeland” door J.A. Trimpe Burger, provinciaal archeoloog van Zeelan: De tempel in Domburg die in 1647 werd gevonden niet al te ver van de galghoogte (andere tijden!) was gewijd aan verschillende andere goden naast Nehalennia. Altaren en beelden die daar in de jaren erna geborgen zijn, zijn jarenlang opgeslagen in de kerk van Domburg. In 1848 is deze kerk door blikseminslag getroffen en uitgebrand. Door de hitte, vallend puin en onzorgvuldig afvoeren zijn de archeologische brokstukken onherstelbaar beschadigd, op enkele na die tevoren naar andere plaatsten waren overgebracht. Eén in het koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis Cinquantenaire in Brussel en een aantal naar het RMO te Leiden. Vlak voor de brand had de conservator van het RMO, dhr L.J.F. Janssen een platenatlas met daarin uitvoerige beschrijvingen samengesteld.

    1. Het RMO in Leiden heeft in de loop der jaren een heel aantal verschillende verschillende directeuren gehad. De eerste directeur was Caspar Reuvens van 1818-1835. Sinds 2006 is Wim Weijland de 11de directeur. Op verzoek van onze secretaris Roderick Avezaath heb ik eens gekeken wat er te vinden is over de vijfde directeur; de directeur in functie in 1930 ten tijde van de inbraak (zie Leidsch Dagblad artikel).
      Jan Hendrik Holwerda was de zoon van de vierde directeur en net als zijn vader archeoloog. De stukken die over hem te vinden zijn schilderen hem af als een starre man die niet in staat was om een mening te herzien of toe te geven dat hij iets fout had.
      “Holwerda miste het vermogen tot objectieve, onvooringenomen waarneming van feiten en hij had een geneigdheid slechts de bevestiging te vinden van wat hij reeds vóór het onderzoek had verwacht. Veldtekeningen, voor zover ze al bewaard werden, zijn niet herinterpreteerbaar. Al in het begin van zijn loopbaan, in 1906, had hij in Bulletin uitgegeven door den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond 7 (1906) 130-132, een onaangenaam en onjuist stuk geschreven tegen Boeles over het Friese terpenonderzoek, waarbij hij zich opwierp als dé vertegenwoordiger van de Nederlandse archeologie, enigszins wonderlijk voor iemand die amper 2 à 3 jaar bezig was.”
      “Een van zijn populairste, door middel van schoolboeken verbreide denkbeelden is dat van het koepelgraf. Dit idee werd tijdens de onderzoekingen op de Veluwe aan het begin van zijn carrière ontwikkeld. Het werd in 1930 bestreden door Van Giffen, wiens gedachten thans nog als juist worden opgevat. In 1907 en 1918 stelde Holwerda dat er in Nederland geen Bronstijd geweest zou zijn. Boeles waarschuwde er in 1920 in De Gids al voor dat de archeologische activiteiten in Nederland nog te kort op gang gekomen waren om een dergelijke conclusie toe te laten; hij leverde een korte lijst van in de Bronstijd te dateren bronzen voorwerpen, een opsomming die in het jongste verleden alleen maar langer geworden is, daarmee de onjuistheid van Holwerda’s gedachten in deze aantonend. Zelf hield hij aan zijn opvattingen vast. Hij bood tot viermaal toe (1907, 1918, 1925 en 1935) een samenvatting van zijn theoretische overtuigingen. Zij bleven in wezen steeds dezelfde en getuigden daarmee van een zekere starheid bij de auteur.”

      “Grote verdiensten heeft Holwerda vooral gehad voor de museale kanten van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. Na 1919 ordende hij het materiaal in het Museum geheel opnieuw, nadat het verhuisd was naar het voormalige Museum voor Natuurlijke Historie aan het Rapenburg. Zijn goede relaties met de directeur van dit laatste museum, zijn schoonvader, zullen aan de verwerving van de nieuwe accommodatie niet vreemd geweest zijn. Hij bracht de museumadministratie geheel op orde en hij zorgde er al in 1931 voor dat een groepje dames aangetrokken werd om het publiek rond te leiden. ”

      “Holwerda raakte wetenschappelijk geïsoleerd; hij compenseerde dit met het museum- en voorlichtingswerk waardoor hij vooral onder leken een bijzondere populariteit verwierf, die niet geheel in overeenstemming was met zijn werkelijke wetenschappelijke betekenis.”

      1. Beste Johanna, bedankt voor deze uitgebreide aanvulling. Het lijkt me erg nuttige informatie, ook voor het onderzoek door de andere leden. Binnenkort open ik een apart hoofdstuk over dit onderwerp.

Reacties zijn gesloten.